Pi-dag
Op 14 maart stappen de wiskundeknobbels onder ons nog iets vrolijker uit bed dan anders. Die datum staat namelijk met stip als π-dag aangeduid op de kalenders. De notatie van die maand/dag (3/14), komt dan ook overeen met de eerste cijfers van de wiskundige constante. Voor de “perfecte pi-dag” moeten we wel eventjes terug in de tijd. Op 14 maart 1592 om 6:53 en 58 seconden om precies te zijn, vielen de datum en tijd samen met de eerste 12 cijfers van de wiskundige constante: 3,14159265358.
Vier π-dag
Dit jaar valt Pi-dag op een zaterdag. Zo’n mooie dag zonder je leerlingen vieren, zou natuurlijk spijtig zijn. Daarom is vrijdag de ideale dag om in het klaslokaal even stil te staan bij het getal 3,14. Dat kan door om veertien na drie een kleine pauze te nemen of te trakteren met pi(e) in klas. De echte liefhebbers onder ons kunnen natuurlijk het getal pi tot meerdere getallen na de komma opzeggen. Organiseer een wedstrijd in de klas tussen de leerlingen en zie wie de meeste getallen kan opnoemen zonder te spieken!
Meerdere keren feest
Ook op 22 juli kun je pi vieren. Die π-benaderingsdag wordt ook geschreven als 22/7, wat we dus kunnen lezen als de deling van 22 door 7. Die deling is een benadering voor pi (22 / 7 = 3,1428…). De echte wiskundeliefhebbers zetten dan ook hun wekker om 1u59 om de speciale datum zo veel mogelijk eer aan te doen. Kom meer te weten over pi in(spatie te veel) Nando en VBTL! De twee methodes volgen een verschillende didactiek, maar met beide behalen leerlingen hetzelfde niveau en wiskunderesultaat. Terwijl Nando vertrekt vanuit leerlinggestuurd onderwijs met activerende werkvormen, zet VBTL in op leerkrachtgestuurd onderwijs. De expertise van de leerkracht staat daar centraal.
Een π-experiment voor in de klas
Verzamel 20 of meer ronde voorwerpen, zowel klein als groot. Meet telkens de omtrek, de diameter en de verhouding k = omtrek/diameter. Plaats de resultaten in een tabel.
a) Bereken het rekenkundig gemiddelde van de experimentele waarden k
b) Laat de twee hoogste en de twee laagste waarden van k weg en bereken opnieuw het rekenkundig gemiddelde.
c) Tot hoeveel cijfers na de komma benaderde je nu het getal 𝜋?