Je gebruikt een verouwderde browser. Upgrade je browser voor een betere surfervaring op deze website.

Dossier 31 - Rechtskroniek Vrede- en Politierechters 2021/Chronique de droit à l’usage des Juges de Paix et de Police 2021

Op voorraad
368 p.
2021
Boek
Editor(s): Dambre Maarten, Lecocq Pascale
Auteur(s): Baré Caroline, Charlier Aline, Maarten Dambre, Deguel François, Ernoux Alix, Falque G., Benoît Kohl, Lambotte Patrick, Schoonbaert Lize, Sias Barbara, Vereecken Stéphane, Jinske Verhellen, Patrick Wautelet, Werbrouck Jakob

Dit dossier is niet inbegrepen in het abonnement op het Tijdschrift voor de Vrede- en Politierechters. De abonnees op dit tijdschrift genieten echter wel een korting van 20 % bij aankoop van deze Rechtskroniek.

De vrederechter en beschermde personen in een internationale context
 
Deze bijdrage gaat over beschermde/te beschermen personen in een internationale context, bv. wanneer in België een beschermingsmaatregel uitgesproken werd, maar de beschermde persoon met de Nederlandse nationaliteit verhuist naar Nederland waar ook zijn familie woont en zijn vermogen ligt. Of een Belgische vrederechter ontvangt het verzoek om een Belgische vrouw met een mentale beperking onder bewind te plaatsen, maar de vrouw verblijft in Portugal. Dergelijke internationale gevallen leiden tot verschillende vragen van internationaal privaatrecht:

  1.  Is de Belgische vrederechter internationaal bevoegd?
  2. Welk recht moet hij toepassen?
  3. Kunnen bepaalde beschermingsmaatregelen die zijn ontstaan in een bepaald land ook doorwerken in een ander land?
  4. Hoe kunnen autoriteiten van verschillende landen onderling samenwerken?

Na een schets van de IPR-regels volgt een toepassing van deze regels op concrete casussen. Verschillende IPR-instrumenten komen aan bod: de Brussel IIbis- verordening, het Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Kinderbeschermingsverdrag), het Verdrag van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen (Volwassenenbeschermingsverdrag) en het Wetboek IPR.
 
Het woninghuurrecht na de inwerkingtreding van het Vlaams Woninghuurdecreet
 
Op 1 januari 2019 trad het Vlaams Woninghuurdecreet in werking. In deze bijdrage worden de eerste toepassingen van dit decreet in de rechtspraak besproken en geanalyseerd, alsook enkele recente aanpassingen van de regelgeving. De besproken thema’s zijn: de selectie van de kandidaat-huurder, de woningkwaliteit, de duur en beëindiging met inbegrip van de verlenging wegens buitengewone omstandigheden in tijden van corona, de nieuwe regels m.b.t. de curator over het huisraad van de laatste huurder, de medehuur, de procedure kort geding voor de vrederechter en het nieuwe huurstelsel van de studentenhuur. Op grond van rechtspraak van het Grondwettelijk Hof komen enkele relevante ontwikkelingen in de andere gewesten aan bod.
 
Elektrische fietsen en voortbewegingstoestellen: een kwestie van verzekering
 
Voortbewegingstoestellen en elektrische fietsen zijn aan een opmars bezig, maar kan de wetgeving volgen? Sinds 1 juni 2019 (inwerkingtreding van de wet van 2 mei 2019) zijn motorrijtuigen die door de mechanische kracht 25 km/u niet overschrijden, niet langer onderworpen aan de verzekeringsplicht (art. 2bis WAM). De bestuurders van die vrijgestelde motorrijtuigen worden bovendien aanzien als zwakke weggebruiker (art. 29bis WAM). Is de wetgever in zijn opzet geslaagd om zoveel als mogelijk het wettelijk kader voor de voortbewegingstoestellen en elektrische fietsen gelijk te schakelen met de klassieke “mobiliteit”? Wat met verkeersongevallen die zich voor de wetswijziging hebben voorgedaan? Wat is de rol van het BGWF of de familiale verzekering? Stelt de deeleconomie of door de werkgever ter beschikking gestelde mobiliteit ons voor hindernissen? De auteurs bespreken de invulling van ‘motorrijtuig’ en ‘mechanische kracht’ en proberen aan de hand daarvan praktijkgerichte vragen te beantwoorden.
 
In de bres voor de consument: recente ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie
 
Ieder van ons treedt vroeg of laat op als consument ten aanzien van een onderneming. Gelet op de asymmetrie die de verhouding tussen consumenten en ondernemingen kenmerkt enerzijds en op het belang van het consumentenvertrouwen voor een bloeiende economie anderzijds, werd de laatste decennia een omvangrijk consumentenacquis uitgewerkt. Die regels, die in belangrijke mate Europese roots hebben, beogen in essentie de voormelde asymmetrie weg te werken, minstens de gevolgen ervan te temperen. Dat gebeurt onder meer door ondernemingen gedetailleerde informatieverplichtingen op te leggen, te bepalen op welke manier zij hun contractuele verbintenissen moeten nakomen en remedies te voorzien voor als het mis gaat. In die laatste hypothese – i.e. ‘als het mis gaat’ – komt al vlug het burgerlijk procesrecht om de hoek kijken. Immers, indien de consument wil krijgen waar hij recht op heeft dan zal dat veelal voor (en door) een overheidsrechter af te dwingen zijn. Net wat de taak van die overheidsrechter betreft, is het Hof van Justitie bijzonder naarstig geweest bij de interpretatie van het Europese consumentenrecht. De consument bevindt zich in de regel immers niet enkel in een asymmetrische onderhandelingspositie ten aanzien van de onderneming, maar evengoed in een asymmetrische procespositie. Teneinde daaraan tegemoet te komen, is het thans vaststaand dat de rechter er in beginsel toe gehouden is schending van (sommige delen van) het consumentenrecht ambtshalve op te werpen. Die door het Hof van Justitie gecreëerde vorm van procedurele bescherming vormt het voorwerp van deze bijdrage. Meer bepaald zal worden nagegaan wat het Hof effectief verwacht van de nationale rechter, alsook in welke mate het Belgisch recht daarmee in overeenstemming is. Doorheen deze bespreking zal duidelijk worden dat het beginsel van partijautonomie, dat als leidend beginsel de taakverdeling tussen de rechter en de partijen vormgeeft wat betreft de afbakening van het geding, niet zo wordt uitgehold als op het eerste gezicht het geval lijkt te zijn.

ISBN 9789048641253 - Bestelcode 202212101
Dossier 31 - Rechtskroniek Vrede- en Politierechters 2021/Chronique de droit à l’usage des Juges de Paix et de Police 2021
€ 75,00
Abonnees € 60,00

Dit dossier is niet inbegrepen in het abonnement op het Tijdschrift voor de Vrede- en Politierechters. De abonnees op dit tijdschrift genieten echter wel een korting van 20 % bij aankoop van deze Rechtskroniek.

De vrederechter en beschermde personen in een internationale context
 
Deze bijdrage gaat over beschermde/te beschermen personen in een internationale context, bv. wanneer in België een beschermingsmaatregel uitgesproken werd, maar de beschermde persoon met de Nederlandse nationaliteit verhuist naar Nederland waar ook zijn familie woont en zijn vermogen ligt. Of een Belgische vrederechter ontvangt het verzoek om een Belgische vrouw met een mentale beperking onder bewind te plaatsen, maar de vrouw verblijft in Portugal. Dergelijke internationale gevallen leiden tot verschillende vragen van internationaal privaatrecht:

  1.  Is de Belgische vrederechter internationaal bevoegd?
  2. Welk recht moet hij toepassen?
  3. Kunnen bepaalde beschermingsmaatregelen die zijn ontstaan in een bepaald land ook doorwerken in een ander land?
  4. Hoe kunnen autoriteiten van verschillende landen onderling samenwerken?

Na een schets van de IPR-regels volgt een toepassing van deze regels op concrete casussen. Verschillende IPR-instrumenten komen aan bod: de Brussel IIbis- verordening, het Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Kinderbeschermingsverdrag), het Verdrag van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen (Volwassenenbeschermingsverdrag) en het Wetboek IPR.
 
Het woninghuurrecht na de inwerkingtreding van het Vlaams Woninghuurdecreet
 
Op 1 januari 2019 trad het Vlaams Woninghuurdecreet in werking. In deze bijdrage worden de eerste toepassingen van dit decreet in de rechtspraak besproken en geanalyseerd, alsook enkele recente aanpassingen van de regelgeving. De besproken thema’s zijn: de selectie van de kandidaat-huurder, de woningkwaliteit, de duur en beëindiging met inbegrip van de verlenging wegens buitengewone omstandigheden in tijden van corona, de nieuwe regels m.b.t. de curator over het huisraad van de laatste huurder, de medehuur, de procedure kort geding voor de vrederechter en het nieuwe huurstelsel van de studentenhuur. Op grond van rechtspraak van het Grondwettelijk Hof komen enkele relevante ontwikkelingen in de andere gewesten aan bod.
 
Elektrische fietsen en voortbewegingstoestellen: een kwestie van verzekering
 
Voortbewegingstoestellen en elektrische fietsen zijn aan een opmars bezig, maar kan de wetgeving volgen? Sinds 1 juni 2019 (inwerkingtreding van de wet van 2 mei 2019) zijn motorrijtuigen die door de mechanische kracht 25 km/u niet overschrijden, niet langer onderworpen aan de verzekeringsplicht (art. 2bis WAM). De bestuurders van die vrijgestelde motorrijtuigen worden bovendien aanzien als zwakke weggebruiker (art. 29bis WAM). Is de wetgever in zijn opzet geslaagd om zoveel als mogelijk het wettelijk kader voor de voortbewegingstoestellen en elektrische fietsen gelijk te schakelen met de klassieke “mobiliteit”? Wat met verkeersongevallen die zich voor de wetswijziging hebben voorgedaan? Wat is de rol van het BGWF of de familiale verzekering? Stelt de deeleconomie of door de werkgever ter beschikking gestelde mobiliteit ons voor hindernissen? De auteurs bespreken de invulling van ‘motorrijtuig’ en ‘mechanische kracht’ en proberen aan de hand daarvan praktijkgerichte vragen te beantwoorden.
 
In de bres voor de consument: recente ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie
 
Ieder van ons treedt vroeg of laat op als consument ten aanzien van een onderneming. Gelet op de asymmetrie die de verhouding tussen consumenten en ondernemingen kenmerkt enerzijds en op het belang van het consumentenvertrouwen voor een bloeiende economie anderzijds, werd de laatste decennia een omvangrijk consumentenacquis uitgewerkt. Die regels, die in belangrijke mate Europese roots hebben, beogen in essentie de voormelde asymmetrie weg te werken, minstens de gevolgen ervan te temperen. Dat gebeurt onder meer door ondernemingen gedetailleerde informatieverplichtingen op te leggen, te bepalen op welke manier zij hun contractuele verbintenissen moeten nakomen en remedies te voorzien voor als het mis gaat. In die laatste hypothese – i.e. ‘als het mis gaat’ – komt al vlug het burgerlijk procesrecht om de hoek kijken. Immers, indien de consument wil krijgen waar hij recht op heeft dan zal dat veelal voor (en door) een overheidsrechter af te dwingen zijn. Net wat de taak van die overheidsrechter betreft, is het Hof van Justitie bijzonder naarstig geweest bij de interpretatie van het Europese consumentenrecht. De consument bevindt zich in de regel immers niet enkel in een asymmetrische onderhandelingspositie ten aanzien van de onderneming, maar evengoed in een asymmetrische procespositie. Teneinde daaraan tegemoet te komen, is het thans vaststaand dat de rechter er in beginsel toe gehouden is schending van (sommige delen van) het consumentenrecht ambtshalve op te werpen. Die door het Hof van Justitie gecreëerde vorm van procedurele bescherming vormt het voorwerp van deze bijdrage. Meer bepaald zal worden nagegaan wat het Hof effectief verwacht van de nationale rechter, alsook in welke mate het Belgisch recht daarmee in overeenstemming is. Doorheen deze bespreking zal duidelijk worden dat het beginsel van partijautonomie, dat als leidend beginsel de taakverdeling tussen de rechter en de partijen vormgeeft wat betreft de afbakening van het geding, niet zo wordt uitgehold als op het eerste gezicht het geval lijkt te zijn.


Inhoudstafel

INHOUDSTAFEL

DE VREDERECHTER EN BESCHERMDE PERSONEN IN EEN INTERNATIONALE
CONTEXT

Inleiding 3
Titel I. Meerderjarigen 4
Hoofdstuk 1. Inwerkingtreding Volwassenenbeschermingsverdrag 4
Hoofdstuk 2. Internationale bevoegdheid van de vrederechter 5
Hoofdstuk 3. Toepasselijk recht 9
Hoofdstuk 4. Erkenning en uitvoerbaarheid 11
Afdeling 1. Volwassenenbeschermingsverdrag 12
Afdeling 2. WIPR 14
Afdeling 3. Nog een Europese verordening om rekening mee te
houden 15
Hoofdstuk 5. Administratieve en gerechtelijke samenwerking 15
Titel II. Minderjarigen 17
Hoofdstuk 1. Internationale bevoegdheid 18
Hoofdstuk 2. Toepasselijk recht 21
Hoofdstuk 3. Erkenning en uitvoerbaarheid 23
Hoofdstuk 4. De voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen 23

LA PROTECTION DES MAJEURS – JURISPRUDENCE RÉCENTE

1. Procédure 29
a. Compétence 29
b. Requête 30
c. Certificat médical 32
2. Mise sous administration 38
3. Intervenants 43
4. Missions et pouvoirs de l’administrateur 48
a. Missions 48
b. Actes que l’administrateur peut accomplir seul 52
c. Actes soumis à l’autorisation préalable du juge de paix 54
5. Capacité de la personne protégée 62
a. Actes que l’administrateur ne peut pas accomplir 62
b. Limitation de la personne protégée 63
6. Contrôles de l’administrateur 72
7. Fin de la mesure 74
8. Protection extrajudiciaire 74

LA PROTECTION DE L’INCAPABLE AU-DELÀ DES FRONTIÈRES

Introduction 85
I. Le paysage : les instruments pertinents 85
II. Les principes 91
1. La reconnaissance et l’exécution des décisions ou actes étrangers 91
2. Détermination de l’incapacité 92
a) Une compétence internationale fort large 93
b) Droit applicable : le dernier bastion de la loi nationale 93
3. La protection de l’incapable 94
a) Compétence internationale 95
b) Droit applicable 98
III. La mise en oeuvre des principes 101
1. Une succession ouverte en Belgique 101
2. Un retraité belge vivant en France 103
3. Un retraité belge vivant en France (bis) 105
4. Une villa à la mer 106

HET WONINGHUURRECHT TWEE JAAR NA DE INWERKINGTREDING
VAN HET VLAAMS WONINGHUURDECREET

Inleiding 113
I. Selectie door inwinnen gegevens van een kandidaat-huurder 113
II. Vlaamse woningkwaliteitsnormen 116
A. Vereiste van conformiteit 116
B. Handhaving van de conformiteitseisen 119
1. Situatie voor inwerkingtreding Vlaams Woninghuurdecreet 119
2. Regeling artikel 12, § 2 Vlaams Woninghuurdecreet 120
a. Nietigheid van rechtswege voor niet-conformiteit bij aanvang 120
b. Bezettingsvergoeding 122
c. Non-conformiteit in de loop van de huur 123
3. Vergelijking met kwaliteitsregeling Brusselse Huisvestingscode 124
C. Conformiteitseisen Vlaamse Wooncode - continue werking verwarmingsinstallatie
125
D. Toepassing op sociale woninghuur 125
III. Duur 126
A. Woninghuur van korte duur 126
B. Verlenging wegens buitengewone omstandigheden 127
C. Overlijden laatste huurder – keuzerecht erfgenamen 128
D. Overlijden laatste huurder – curator over het huisraad 129
E. Invloed van het nieuwe goederenrecht op de duur van het woninghuurcontract
130
F. COVID-19 en bezoekrecht op het einde van de huur 131
IV. Medehuur 132
A. Artikelen 51-52 Vlaams Woninghuurdecreet 132
B. Arrest Grondwettelijk Hof m.b.t. Waals Woninghuurdecreet 134
V. De regels m.b.t. de bevoegdheid en de rechtspleging in het Vlaams Woninghuurdecreet
135
A. Eenzijdig verzoekschrift – geen schending bevoegdheidsverdelende regel 135
B. Exclusieve bevoegdheid vrederechter 136
C. Werking in de tijd – regels m.b.t. nieuwe procedure kort geding 137
D. Beperkte bevoegdheid vrederechter in kort geding 138
E. Uitsluiting arbitrage in woninghuurgeschillen 141
VI. Studentenhuur 143
A. Vervroegde beëindiging 143
B. Specifieke COVID-19-maatregelen 144
C. Samenwonen van studenten 145
Conclusie 146

LE BAIL DE DROIT COMMUN ET LE BAIL D’HABITATION
CINQ ANS DE JURISPRUDENCE

Introduction 149
Section 1re. Bail de droit commun 152
§ 1er. Champ d’application 152
§ 2. Obligations du bailleur 153
§ 3. Obligations du preneur 156
§ 4. Fin du bail 170
§ 5. Aliénation du bien loué 176
§ 6. Arbitrage 177
Section 2. Bail de résidence principale 178
§ 1er. Champ d’application 178
§ 2. Formalisme 180
§ 3. Formation du contrat 183
§ 4. Obligations du bailleur 187
§ 5. Obligations du preneur 196
A. Obligation de respecter la destination, d’entretien et de restitution 196
B. Paiement du loyer et des charges 199
C. Garantie locative 200
§ 6. Durée du bail 202
§ 7. Fin du bail 207
§ 8. Aliénation du bien loué 220

ELEKTRISCHE FIETSEN EN VOORTBEWEGINGSTOESTELLEN: EEN
KWESTIE VAN VERZEKERING

I. HET NIEUWE ARTIKEL 2BIS WAM: EEN VRIJSTELLING VAN DE VERZEKERINGSPLICHT
226
A. Inleiding 226
B. De invulling van het begrip motorrijtuig: twee visies 227
1. De enge visie 227
2. De ruime visie 229
C. Gevolgen 235
1. Aansprakelijkheidsverzekering 235
1.1. De enge visie 237
1.2. De ruime visie 237
2. Artikel 29bis WAM 238
3. Artikel 29ter WAM 239
4. Tussenkomst van het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds 240
II. DE VERZEKERINGSPLICHT VOOR DE WETSWIJZIGING 242
A. Inleiding 242
B. De invulling van het begrip motorrijtuig: twee visies 242
C. Gevolgen 245
1. Aansprakelijkheidsverzekering 245
2. Artikel 29bis WAM 246
3. Tussenkomst van het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds 247
III. DE INVLOED VAN HET ARREST VAN 28 JANUARI 2021 VAN HET
GRONDWETTELIJK
HOF 248
A. Struikelblokken bij de toepassing van artikel 2bis WAM 248
B. Prejudiciële vragen en het arrest van 28 januari 2021 250
C. Gevolgen van de ongrondwettigheid 252
IV. BESLUIT 256

LES NOUVEAUX CYCLES ET ENGINS DE DÉPLACEMENT : ÉTAT DES
LIEUX AU REGARD DU DROIT PÉNAL ET DU DROIT DES ASSURANCES

Introduction 259
Chapitre 1er. Définitions et caractéristiques 260
Section 1re. Les cycles, électriques ou non 261
Section 2. Les engins de déplacement 261
§ 1er. L’engin de déplacement non motorisé 261
§ 2. L’engin de déplacement motorisé 262
§ 3. Dispositions communes 262
Section 3. Les cycles motorisés 262
Section 4. Les cyclomoteurs 263
§ 1er. Le cyclomoteur de classe A 263
§ 2. Le cyclomoteur de classe B 264
§ 3. Le speed pedelec 265
Section 5. Les motocyclettes 266
Section 6. Tableau synthétique 266
Chapitre 2. Les cycles et autres nouveaux engins de déplacement au regard du droit
pénal 267
Remarques liminaires sur les peines 267
Section 1re. L’âge minimum et le permis de conduire 269
§ 1er. L’absence d’exigence d’un âge minimal et d’un permis de conduire 269
§ 2. L’exigence d’un âge minimal et/ou d’un permis de conduire pour les
cyclomoteurs 270
A. L’âge minimal et l’absence d’exigence d’un permis de conduire pour
les conducteurs de cyclomoteurs de classe A 270
B. L’âge minimal et l’exigence d’un permis de conduire pour les conducteurs
de cyclomoteurs de classe B 270
§ 3. Tableau récapitulatif 271
Section 2. L’aptitude à la conduite 272
Section 3. Les casques et vêtements de protection 273
§ 1er. L’obligation du port d’un casque de protection 273
§ 2. L’obligation du port de vêtements de protection 273
Section 4. Les prescriptions techniques 273
§ 1er. Les véhicules à moteur et leurs remorques 274
§ 2. Les cycles et leurs remorques 274
Section 5. Les passagers et les chargements 275
§ 1er. Les passagers 275
§ 2. Les chargements 276
Section 6. Les feux 277
§ 1er. Les véhicules à moteur 277
§ 2. Les cycles montés 279
§ 3. Les engins de déplacement 279
§ 4. Les « autres véhicules » 280
Section 7. La place des conducteurs sur la voie publique 280
§ 1er. Les autoroutes et les routes pour automobiles 280
§ 2. Les pistes cyclables 280
A. Définition 281
B. Les cycles et les cyclomoteurs de classe A 281
C. Les tricycles et quadricycles sans moteur 282
D. Les cyclomoteurs de classe B et les speed pedelecs 282
E. Les piétons 282
F. Disposition commune 283
§ 3. Les rues cyclables 283
§ 4. Les chemins réservés aux piétons, cyclistes, cavaliers et conducteurs de
speed pedelecs 283
§ 5. Les chemins réservés aux véhicules agricoles, piétons, cyclistes, cavaliers
et conducteurs de speed pedelecs 284
§ 6. Les rues scolaires 285
§ 7. Les autres zones de circulation 285
§ 8. Les accotements de plain-pied, les zones de stationnement et les trottoirs 285
§ 9. Précision quant aux « véhicules » conduits à la main 286
Section 8. Les manières de rouler sur la chaussée 286
§ 1er. Les obligations des utilisateurs de cycles et des nouveaux engins de
déplacement 286
§ 2. Comportement à l’égard des cyclistes et des conducteurs de cyclomoteurs
à deux roues 287
Section 9. Les signaux lumineux et routiers 288
§ 1er. Les feux de signalisation 288
§ 2. Les signaux routiers 289
A. Les signaux de danger (art. 66 du CR) 289
B. Les signaux de priorité (art. 67 du CR) 289
C. Les signaux d’interdiction (art. 68 du CR) 290
D. Les signaux d’obligation (art. 69 du CR) 291
E. Les signaux relatifs à l’arrêt et au stationnement (art. 70 du CR) 291
F. Les signaux d’indication (art. 71 du CR) 292
Section 10. L’arrêt et le stationnement 293
Chapitre 3. Les deux roues et autres nouveaux engins de déplacement au regard du
droit des assurances 295
Section 1re. Au regard de l’assurance R.C. automobile 295
Section 2. Au regard de l’assurance R.C. vie privée 298
Section 3. Au regard de couvertures spécifiques 299
§ 1er. Les assurances particulières 299
§ 2. Les assurances fournies par l’opérateur de services de location 299
Section 4. Quid en cas de concours d’assurances ? 300
Section 5. L’intervention du Fonds commun de garantie belge 301
Section 6. L’indemnisation des victimes d’accident 302

§

Dossiers Tijdschrift vrede- en politierechters

MEER INFO

Heeft u vragen over deze reeks? Mail naar abonnementen@diekeure.be.


Jinske Verhellen is hoofddocent aan de Universiteit Gent en leidt het Instituut voor Internationaal Privaatrecht. 

Maarten Dambre promoveerde op 16 september 2008 tot doctor in de rechten met een proefschrift onder de titel "Contractvrijheid en rechtsdwang bij de bepaling van de kostprijs van de huur van onroerende goederen. Een analyse van de financiële verbintenissen van de huurder met voorstellen tot legislatieve verbetering."
 
Hij behaalde op 9 juli 1986, met grote onderscheiding, het diploma van licentiaat in de rechten aan de Universiteit Gent. Hij is vanaf 1 oktober 1986 advocaat aan de balie te Gent. Mr. Frans Baert was zijn patroon. Na de stage was hij in 1992 één van de oprichters van de advocatenassociatie Frans Baert & Vennoten CVBA.
 
Als advocaat behandelt hij voornamelijk handelsrechtelijke zaken, met inbegrip van handelscontracten (agentuur, franchising, concessie), en zaken van financieel recht en contractenrecht, hoofdzakelijk handelshuur, koop-verkoop en aanneming (bouwrecht). Hij heeft zich diepgaand in deze materie gespecialiseerd, zoals blijkt uit zijn universitaire loopbaan en zijn publicaties in deze rechtsgebieden.
 
Vanaf 1 oktober 1987 is hij verbonden als assistent aan de Universiteit Gent, eerst bij het Seminarie voor Handels- en Vennootschapsrecht, vanaf 1 oktober 1993 als praktijkassistent bij het Instituut voor Contracten- en Verzekeringsrecht en vanaf 1 oktober 2001 bij de Vakgroep Burgerlijk Recht, nu Centrum Verbintenissenrecht. Met ingang van 1 oktober 1997 werd hij bevorderd tot praktijklector. Op 16 september 2011 werd hij aangesteld als docent Bijzondere Overeenkomsten en Vastgoedrecht.
 
Als specialist ter zake was hij lid van de Bijzondere Commissie voor evaluatie van de gevolgen van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur (Ministerie van Justitie) en lid van de Commissie voor evaluatie van de wet van 12 juni 1991 betreffende het consumentenkrediet (Ministerie van Economische Zaken).
 
Hij werd op 13 juni 2006 als specialist gehoord op de hoorzitting van de Commissie belast met de problemen inzake handels- en economisch recht van de Kamer van Volksvertegenwoordigers i.v.m. het wetsvoorstel doc. 51-0122/001 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, wat de intresten en schadebedingen bij contractuele wanuitvoering betreft.
 
Hij werd op 2 juli 2013uitgenodigd als spreker op de hoorzitting van de Commissie Justitie van de Senaat i.v.m. het wetsvoorstel tot oprichting van een huurgarantiefonds. In de loop van 2013-2014 nam hij deel aan de werkzaamheden van de begeleidingsgroep private verhuring (Wonen Vlaanderen) die de regionalisering van grote delen van het huurrecht ten gevolge van de zesde staatshervorming heeft voorbereid; hij was voorzitter van de werkgroepen “contractuele aspecten” en “woningkwaliteit” die de bepalingen van de woninghuurwet hebben geëvalueerd.
 
Maarten Dambre is hoofdredacteur van de geannoteerde reeks wetboeken van die Keure (Burgerlijk Wetboek, Burgerlijk Wetboek - Bijzondere wetgeving, Handelsrecht) en is lid van de kernredactie van het Tijdschrift voor Bouwrecht en Onroerend Goed (TBO). Hij is lid van de redactie van het Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht, het Nieuw Juridisch Weekblad, het Tijdschrift voor de Vrederechters en het Tijdschrift Huurrecht.
 
Maarten Dambre is editor en coauteur van een boek over Handelshuur, auteur van boeken over de Huurprijs en het Consumentenkrediet en coauteur van enkele juridische handboeken op het gebied van het huurrecht (algemeen huurrecht, woninghuur en handelshuur), schreef bijdragen voor diverse juridische verzamelwerken en publiceerde in tal van juridische tijdschriften.
 
Hij hield verschillende referaten op congressen en studiedagen, o.a. over Consumentenkrediet (UCL 1991, UIA 1992 en Brussel 1996), Woninghuur (UGent 1991 en 1997 en KUL 1991 en 1997), Hypothecair krediet (Antwerpen 1992), de Grondwettelijke erkenning van het recht op huisvesting (Schoordijk Instituut KUB Tilburg 1995), de Handelsagentuurovereenkomst (Universiteit Gent 1995), de Bescherming van de consument in de kredietsector (UGent 1997), Krediet aan en schuldenlast van gezinnen (Ministerie van Justitie, opleiding voor magistraten, 1998), Woningkwaliteitsregelingen (UGent en UIA1999, balie Gent 2000), Actuele ontwikkelingen inzake algemeen huurrecht, woninghuur en handelshuur” (UGent 2003), Knelpunten contractenrecht – Huur, (KUL en KULAK 2003), de Antidiscriminatiewet en het huurrecht (UGent 2003), Actuele ontwikkelingen inzake koop-verkoop van onroerende goederen” (UGent 2005), Algemeen huurrecht (UGent 2005), Dienstenprestaties (UGent 2010), Verkoop van onroerende goederen (UGent 2011), Handelshuur (UGent 2012) en Aansprakelijkheid van aannemer en architect voor de gebrekkige uitvoering van bouwwerken (UGent 2014).

Patrick Wautelet est professeur à la Faculté de droit, de science politique et de criminologie de l¿Université de Liège. Son enseignement et ses recherches portent en particulier sur les relations internationales privées et le droit de la nationalité. Au cours de la période récente, ses recherches se sont particulièrement orientées vers les questions familiales et patrimoniales que suscitent la mobilité grandissante des citoyens.

Licencié et docteur en droit de la KULeuven, il a été chercheur invité à l¿University of Illinois et à la Harvard Law School (1999-2000) et avocat au barreau de Bruxelles pendant 7 ans. Il a travaillé à la Conférence de La Haye de droit international privé comme stagiaire et secrétaire-rédacteur et a été professeur invité en Russie (MGIMO), au Burundi (Université du Burundi) et en France (EDHEC). Il est l'auteur de nombreuses publications scientifiques s'intéressant aux difficultés posées par la mobilité des personnes, des familles et de leur patrimoine.

Benoît Kohl is a professor at the Law Faculty of the University of Liège (ULg), where he heads the department for law of obligations and contract law. He also teaches a specialised course on commercial law at the Management School – University of Liege (HEC-ULg) and is a visiting professor at the University of Paris II (Panthéon-Assas), where he teaches a course on European and international construction law. Besides, Benoît is member of the Belgian Notary Nomination Commission.

Publicaties in de kijker

Blijf op de hoogte en schrijf je in op onze nieuwsbrief